Begin jaren tachtig brak
Mathilde Santing op vrij jonge leeftijd door als solo-artieste met een
vreemd, synthesizer-achtig begeleidingsinstrument. De muziek was niet te
plaatsen, maar wel succesvol. Hoe kwam ze bij dat instrument?
“Dat was de Elka, de Elka Wilgamat-2. Dat was een soort Fred
Flintstone-type orgeltje, je kon akkoorden spelen met drie geluidjes.
Eigenlijk moest je hem op je orgel aansluiten in de huiskamer, als je
geen ritmebox had. Ik woonde toen in huis met allerlei muzikanten. Met
een bevriende band uit Engeland, de Comsat Angels, gingen we eens
gezellig de stad in. Toen kwamen we toevallig dat apparaatje tegen. We
stonden er zo’n beetje omheen in de muziekwinkel en hebben er nog heel
hard om gelachen. Ik ben een paar dagen later teruggegaan om hem te
kopen. Ik kende eigenlijk helemaal geen geschikte muzikanten om mee te
spelen. Met de vondst van de Elka was voor mij het hele
muzikantenprobleem opgelost. Ik kon nu stukken uitzoeken, allerlei
dingetjes zelf doen en ik kon transponeren.”
Je
begeleidde jezelf en je zong: covers en oude standards. Geen mens die je
associeerde met jazz, maar er was wel degelijk een link.
“Het was een ontzettend cool geluid, heel matig, heel zachtjes.
Binnen no-time kon ik mezelf verder ontwikkelen, al was ik nog heel
stil, heel verlegen. Ik zei helemaal niks. Veel mensen dachten dat het
een act was, toen. Ik begon in mantelpakjes, fifties-stijl met
oorbellen, een beetje Doris Day-achtig. Het zag er new wave uit, terwijl
het inhoudelijk veel meer leek op Frank Sinatra. Daar voelde ik me
bezwaard over. Ik dacht: ‘ik ben eigenlijk een blond zangeresje à la
Doris Day, maar iedereen denkt nu dat ik een kruising ben van een
vrouwelijke Bryan Ferry en Laurie Anderson’.”
Waarom
voelde je je bezwaard? Die mengeling van stijlen is toch een gouden
gimmick om mee te spelen?
“Nee, ik speelde er niet mee, ik zát er mee. Wat toen ook meetelde:
ik was super-eigenwijs. Toen ik eindexamen deed, kreeg ik een singeltje
van The Sex Pistols in handen, en ik kwam terecht in een
super-eigenwijze periode: de new wave. Met mijn broers en mijn vrienden
uit die tijd konden we heel goed onderscheiden wat een ‘echt’ bandje
was, en wat in elkaar gezet was door ‘de industrie’. En dat gold
zeker voor zangeressen. Je had maar heel weinig zangeressen die een
eigen sound hadden. Ieder nummer op een album had een ander sfeertje,
volgens het idee van de producer: ‘we doen wat rock, we doen een
ballad, nog een beetje Zuid-Amerikaans’. Het was net of zo’n
zangeresje voor ieder liedje door iemand anders werd aangekleed.”
En
de jonge Mathilde Santing zocht naar een eigen geluid.
“Ik had een heel goede privé zangopleiding gevolgd, maar had het
gevoel dat ik geen kant op kon toen ik begon met zingen. In de popmuziek
zat ik niet goed, in de bands van mijn broers kon ik mezelf nooit horen.
En jazz-zangeres worden, dat vond ik oubollig. Met een combootje, een
pianist en een bassist kwam je automatisch in het restaurantcircuit
terecht, en dat zag ik ook niet echt zitten. Dus ik wist eigenlijk niet
wat ik moest gaan doen.”
Het
gekke is: je stond er al. Mensen vonden je speciaal, en zagen zelfs een
soort uitgekookte act. Wat je deed op het podium was: mooi, menselijk
zingen met een plastic mechanische begeleiding als contrast.
“Ik had dat machientje, en binnen een jaar was er een succesvolle
plaat en had ik enkele televisie-optredens achter de rug. . Het gaf me
een carrière, maar het gaf me ook een depressie. Ze gingen met me aan
de haal. Jong, goed zingen, helemaal alleen, en dan is ze ook nog
eigenwijs en lesbisch… Als er iets niet ging zoals ik het wou, ging ik
met de hakken in het zand. Ik wilde niet dat blonde zangeresje zijn.
Maar ja, ik bén dus wel een blond zangeresje, haha! In wezen ben ik een
lieve, vrouwelijke… ik wilde alleen niet die beperkte bewegingsruimte
hebben.”
Toen
je net opkwam, paste je kille, kortharige imago goed bij de
vrouwenbeweging uit begin jaren tachtig, je leek een beetje een VARA of
VPRO-artiest.
“Uiteindelijk heeft me dat alleen maar geholpen. Dat ‘lesbische’
gaf de mensen een excuus om aan seks te denken. Ik werd er een
interessantere vrouw door, een verboden vrouw. Verboden gebied voor
mannen. Mij werd niet gevraagd hoe ik over dingen dacht, maar de mensen
vonden het leuk om het even te noemen. Interviews moesten over muziek
gaan, het kwam niet ter sprake, maar de journalist schreef er dan gewoon
wél over. De pers zat elkaar voortdurend na te schrijven, zij bouwden
rustig verder aan hun eigen ding. Ik heb er heel lang over gedaan om er
vrede mee te hebben dat mensen schreven over mijn emoties, mijn
seksualiteit enzo.”
Je
had dat niet zien aankomen? Dat mensen jou misschien anders zouden zien
dan je jezelf zag?
“Ik had het niet eens echt goed in de gaten, ik was gewoon aan het
zingen. Ook in de begintijd heb ik me altijd expliciet proberen te
afficheren als ‘entertainster’, hoewel ik achteraf denk, dat dat
niet helemaal waar was. Het was toen gewoon een goede manier om te laten
zie dat je niet bezig was met een politieke agenda, al stelde ik mezelf
toch meer op als ‘kunstenares’ dan als ‘entertainster’.
Toen ik op een gegeven moment een plan had voor mezelf en mijn toekomst
als zangeres, stippelde ik een aantal dingen uit. Ik zou alleen nog
situaties voor mezelf creëren waarin ik zou kunnen leren om muzikant te
worden. Dat heeft goed gewerkt, want voor dat ik het wist had ik
allerlei dingen uitgeprobeerd en was ik vijf cd’s verder. Ik zocht
mensen op die meer konden dan ik, maar die wel bereid waren te luisteren
als ik met ideeën kwam. En dat doe ik nog steeds.”
Je
werkte voor je cd ‘Out Of This Dream’ zelfs samen met een New Yorkse
producer: Hal Willner.
“Warner Brothers Londen wilde dat ik met een grote producer ging
werken. De Amerikaan Hal Willner, met in zijn kielzog gitarist Bill
Frisell, werkten in feite met mijn vaste muzikanten. Eigenlijk dwongen
we Wilner naar Nederland te komen om een bandplaat te maken met Rolf
Hermsen, toen gitarist van The Tapes. Uiteindelijk wilde Hal Willner
terug naar New York, want daar had hij zijn adressenbakje. Hij had een
heel andere manier van werken, in feite een heel luie manier. Je kon
niet echt zeggen dat hij ‘iets’ deed toen hij de plaat produceerde.
Hij zette gewoon een stel mensen bij mekaar. Willner was de
‘uitkiezer’ met alle contacten, hij kende voor iedere gitaarsound
een gitarist, voor iedere tamboerijn belde hij iemand op. Ik hou daar
persoonlijk niet zo van, al gaat Willner zó ver ‘way out’ dat je in
de instrumentatie toch wel bijzondere dingen hoort. Maar wat hij gedaan
heeft tijdens het mixen van het materiaal, dat hebben we later weer
helemaal teruggenomen. Rolf heeft alles zelf ge-remixed, samen met een
Engelse technicus.”
Had
dat toen iets met jazz te maken wat je deed?
“Nee, helemaal niet. Wij noemden het zelf ‘country & eastern’.
Het was een mix waarin van alles mogelijk was: popliedjes, oude
standards, maar dan heel anders gearrangeerd. Er was plek voor rare
ritmes en Turkse melodieën. Je zou echter wel kunnen zeggen dat het een
jazz-manier van werken was: het gebruik van nieuwe harmonieën en nieuwe
tegenmelodieën. Het idioom is pop. Mijn timing is pop, en geen jazz.”
Van
minimalisme ging het gestaag naar grotere dingen. Je ging in de loop der
jaren meer swingen, er kwam meer soul in je stem.
“Ten tijde van mijn eerste plaat kwam ik natuurlijk koud van zangles
af. Ik zong heel recht, en ik ben ook flink geregisseerd om dat te
blijven doen voor mijn eerste drie albums. Dat is in de loop de jaren
geleidelijk veranderd. Een grote invloed die leidde tot een lossere
stijl is Mimi Kobayashi geweest, een Japanse muzikante die mijn vierde
cd heeft geproduceerd, Breast And Brow. Zij speelde piano met mij
en ademde helemaal mee met mijn zang. Dat was een enorm contrast met de
machinale ritmes uit de begintijd. Toen ik na die samenwerking met haar
opnieuw met mijn vaste band ging spelen, was ik teruggekomen als een
veel betere zangeres.”
Rond
het jaar 2000 ging je je intensief bezighouden met jazzmuziek en
jazzmuzikanten, maar je hebt je uiteindelijk niet bekeerd tot de geïmproviseerde
muziek. Wat viel je op aan die andere wereld?
“Jazzmuzikanten zijn zo abstract bezig met hun muziek, dat de
hedendaagse jazz in feite geen vocale muziek meer is. Het is niet meer
te zingen. Voor mij is het werkelijk verbazend wat de instrumentalisten
allemaal kunnen: technisch, qua akkoorden, ritmiek, moduleren en
soleren. Niet alleen is dat voor zangeressen minder interessant, we
kunnen het gewoon niet echt op die manier. De spierbeheersing van ons
heeft meer een emotionele functie. Als ik nu drie keer ‘hé’ zeg,
dan weet ik zelf niet wat ik precies doe, maar er ligt iedere keer een
andere emotie in: zwoel, agressief of vragend. De spieren doen verder
hun werk wel. Bij muzikanten ligt dat anders. Zij doen met hun
spiercontrole allerlei tamelijk abstracte dingen: notenreeksen of
akkoorden die ze hebben bedacht. Echt goede muzikanten overstijgen dat
dan weer, maar het blijft een heel ander uitgangspunt.”
Hoe
kwam je aan die eerste contacten met jazzmuzikanten, bijvoorbeeld toen
je in Amerika zat ten tijde van de film ‘Ze Gaat Naar New York’?
“Ik kende iemand uit de musicalwereld die in New York woonde, zanger
en choreograaf Matthew Dickens. Ik kon het huisje vlak naast hem huren.
Net in die tijd wilde filmmaakster Brigitte Helenius als tweede film een
jazzdocumentaire maken. Dat trof, ik ging naar New York om wat nieuwe
dingen uit te proberen, Brigitte vroeg subsidie aan die kreeg ze ook. Zo
is ‘Ze Gaat Naar New York’ tot stand gekomen. Zij kwam toen
contrabassist Joris Teepe tegen, en ik dacht: misschien is het een mooi
idee om hem New Yorkse muzikanten te laten vragen die hij kent. Wat ik
me later pas realiseerde: hij kende mij helemaal niet. Hij had ‘ja’
gezegd, maar had nog nooit iets van mij gehoord. Hij is voor me gaan
arrangeren en heeft hele mooie dingen voor me gedaan. Wat hij deed, was
mooie intro’s schrijven, en prachtige outro’s. En daar tussenin
veranderde hij alle akkoorden van het liedje. De melodie kon er nog nèt
tegenaan gezongen worden. Ik begon er mee, en merkte dat gaandeweg. Voor
mij bleef er weinig ruimte voor expressie over, ik kon nog net de
melodie zingen. Ik had daar grote problemen mee. Als ik de ‘lead’
ook nog zou gaan veranderen, dan zongen we helemaal die compositie niet
meer!” |